CPB en PBL kritisch op voorgenomen versoepeling CBAM en CSRD

De Europese Commissie is van plan het CBAM (Carbon Border Adjustment Mechanism) en de Corporate Sustainability Reporting Directive (CSRD) te vereenvoudigen en versoepelen. Doel van de voornemens is (vooral) om de kleinere en middelgrote bedrijven die energie-intensieve producten van buiten de EU importeren, een lastenverlichting te bieden. Het Centraal Planbureau (CPB) en het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) hebben zich gebogen over de beoogde maatregelen en oordelen allerminst lovend. De kostenbesparingen voor bedrijven vallen tegen, terwijl de CO2-uitstoot bij wijziging van het stelsel niet áf- maar toeneemt.

Foto: Metaalunie.

Het CBAM komt voort uit de Europese Green Deal en is onderdeel van het emissiehandelssysteem van de Europese Unie (EU-ETS). Het mechanisme voorziet in een heffing op de import van CO2-intensieve producten die buiten de EU zijn vervaardigd. Voor de heffing komen op dit moment de basismaterialen en grondstoffen in aanmerking, zoals staal en aluminium, ijzer en cement, maar bijvoorbeeld ook kunstmest en elektriciteit.

In beginsel is de heffing gelijk aan de CO2-heffing die geldt voor eenzelfde product als dit product bínnen de unie is gefabriceerd. Financieel-economisch doel van het mechanisme is om op EU-grondgebied een ‘level playing field’ te bewerkstelligen (óf te behouden) voor producenten binnen en buiten de EU. Vanuit duurzaamheidsperspectief wil de EU via CBAM bijdragen aan het terugdringen van CO2-emissies door productieprocessen buiten de EU.

De heffing is sinds 1 januari van dit jaar ook financieel van kracht. Voor bedrijven die per jaar meer dan 50 ton aan staal- of aluminium-halffabricaten en -producten van buiten de EU importeren, geldt sindsdien dat ze een CO2-heffing betalen over het extra aantal tonnen. Daarbij zijn ze verplicht de CO2-uitstoot te rapporteren, volgens de Corporate Sustainability Reporting Directive (CSRD).

De Europese Commissie is nu van zins om dit stelsel te vereenvoudigen en versoepelen, vooral om importerende mkb-bedrijven een kostenbesparing en lastenverlichting te bieden.

Beperkte kostenbesparing

In het stelsel zit besloten dat de rechten voor industriële bedrijven om bij hun productie CO2 uit te stoten, geleidelijk worden afgebouwd. Hierdoor wordt uitstoten duurder en de verduurzaming van productieprocessen aangejaagd.

De EC wil het tempo van afbouw nu vertragen. Nu is nog de bedoeling om géén emissierechten meer te verstrekken vanaf 2039. Dat nul-moment wordt, als aan de EC ligt, verlegt naar 2047. Zo zouden overtollige rechten minder snel voorgoed van de markt verdwijnen.

Volgens het CPB en het PBL is het effect van het uitstel is echter beperkt. De prijs van emissierechten zou zo’n 14 procent lager uitvallen. Een producent die werkt met aardgas zou dan per megawattuur gas ongeveer 2 euro minder CO2-kosten betalen. Dat komt neer op zo’n 3 procent van de actuele gasprijs. De besparing weegt nauwelijks op tegen de hoge energieprijzen voor industriële bedrijven, aldus de planbureaus in hun analyse.

Negatief klimaateffect

De kostenbesparing is op zich positief, er tegenover staat echter een negatief klimaateffect. Bij doorvoer van de aanpassingen zou de CO2-uitstoot in de aanloop naar 2050 met bijna 3 gigaton (extra) stijgen, hebben de onderzoekers berekend. Dat is ruim 30 procent meer dan als de wijzigingen uitblijven.

Bijna 80 procent van die extra stijging wordt veroorzaakt door het langer beschikbaar blijven van nieuwe emissierechten. Hierdoor zullen bedrijven ook minder (snel) investeren in verduurzaming van hun processen én de handel in emissierechten kan een stuk minder stabiel worden, waarschuwen het CPB en PBL.

Al met al verwachten de twee organisaties dat de voorgenomen vereenvoudiging en versoepeling slechts weinig gaat bijdragen aan een van de grote uitdagingen binnen de Europese basis- en maakindustrie: het reduceren van het verschil in energielasten voor bedrijven binnen de EU en hun concurrenten daarbuiten. Juist bedrijven in sectoren als de staalindustrie staan door de hoge energierekening onder druk, terwijl Europa tegelijkertijd minder afhankelijk wil worden van buitenlandse leveranciers, vinden het CPB en PBL.

Overigens is op dit moment niet zeker of de aanpassingen binnen het EU-ETS ook worden doorgevoerd. Over de voorstellen van de EC daartoe wordt in Brussel nog onderhandeld. De standpunten van de lidstaten lopen uiteen.

Uitbreiding ophanden

Naast de versoepeling staat ook nog steeds de uitbreiding van het toepassingsgebied van het CBAM op de Europese agenda. De milieucommissie van het Europees Parlement heeft onlangs ingestemd met een voorstel om óók zogeheten downstream-producten, gemaakt van staal of aluminium, onder de regeling te laten vallen. Het gaat daarbij om ruim 400 halffabricaten en eindproducten.

Met de uitbreiding wil de EU voorkomen dat industriële bedrijven het CBAM eenvoudig omzeilen door buiten Europa grondstoffen tot product te verwerken, om het product daarna zonder vergelijkbare CO2-heffing op de Europese markt aan te bieden.

De uitbreiding kan een behoorlijke impact gaan hebben op Europese ondernemingen die onderdelen, componenten of producten van staal of aluminium importeren, zoals veel Nederlandse maakbedrijven. Producenten binnen Europa zijn er wél bij gebaat. Hun concurrentiepositie ten opzichte van niet-Europese fabrikanten wordt sterker, omdat de CO2-heffing ook van kracht is op geïmporteerde halffabricaten en eindproducten.

Ook de uitbreiding van de ‘dekking’ van het CBAM is nog onderwerp van onderhandeling, tussen het Europees Parlement, de Raad en de Europese Commissie. Als alle gremia zich achter het voorstel scharen, moeten de nieuwe regels in wetgeving worden vastgelegd.